:
 
Vul hier uw emailadres in voor het ontvangen van de nieuwsbrief

Wol

   HULSHOF knittings

Algemeen

Wol zijn de zachte en dunne haren die groeien in de vacht van sommige dieren. Door mensen wordt wol (meestal afkomstig van schapen), gebruikt voor kleding, dekens en dergelijke.

Wol onderscheidt zich van haar doordat het schubben heeft, waardoor er zaden en takjes in blijven hangen. Hierdoor wordt de huid van het schaap beschermd tegen beschadigingen. Een schaap kan dan ook zonder schade door doornige begroeiing lopen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een koe. Verder is wol gekroesd. Het heeft tot 20 bochten per 2,5 centimeter. Hierdoor wordt de lucht goed vastgehouden, waardoor wol een goede warmte-isolator is. Beide eigenschappen, de schubben en de kroes, maken dat wol ook makkelijk gesponnen kan worden. De vezels haken namelijk makkelijk in elkaar en blijven daarna aan elkaar vastzitten.

Onder scheerwol wordt verstaan de onbeschadigde wol, geschoren van een gezond en levend schaap. Scheerwol is in een winkel te herkennen aan het internationale wolmerk, dat in meer dan 100 landen wettelijke bescherming geniet. Wolsoorten van mindere kwaliteit zijn herwonnen wol uit het verwerken van gedragen kleding of van garen en weefselafval in de textielindustrie, ook wel scheurwol genoemd. Blootwol wordt verkregen door een chemische behandeling van de huiden van geslachte schapen.

De meeste wol wordt geproduceerd in Australië, China en Nieuw-Zeeland. Naar schatting zijn er 1 miljard schapen op de wereld.

Wolvezel
Wolvezels variëren in dikte, tussen 10 micrometer voor de fijne wol in de binnenvacht van het Merino schaap tot 40 micrometer in de buitenvacht van het Shetlandschaap. De dunste vezels geven de minste irritatie op de huid. Sommige mensen kunnen echter zelfs niet tegen de fijnste wol, en worden gek van het gekriebel. De meeste mensen krijgen last van kriebelen als de wol dikker is dan 28 micrometer. Dit wordt het jeukpunt genoemd.

Van buiten naar binnen bestaat de wolvezel uit vier lagen:
  • De hoornachtige schubbelaag (cuticula)
  • Een tussenmembraan (subcutis)
  • Een schorslaag (cortex)
  • Het merg (medulla)

De wol die op een schaap groeit is niet overal gelijk, waardoor ook de kwaliteit verschilt. Men onderscheidt:
  • Wol van de flanken, schouders en rug
  • Wol van de dijen
  • Wol van de buik
  • Wol van de overige delen.

Eigenschappen van Wol
Wol is een goede isolator tegen koude. Dit komt doordat er tussen de kleine gekrulde vezels van de wol zich veel stilstaande lucht bevindt. Stilstaande lucht geleidt warmte zeer slecht. Alleen als het hard waait heeft wol minder goede eigenschappen. Wol kan veel vocht (tot 40% gewichtsprocenten) uit de lucht opnemen zonder zelf vochtig aan te voelen. Tot een vochtgehalte van 17% treedt geen verandering van de eigenschappen van de vezels op.

Wol is van nature een veerkrachtige vezel, waardoor wollen kleding zacht aanvoelt. Dit heeft als nadeel dat dunne wollen kleding snel kreukt. Een ander nadeel van wol is dat het makkelijk pluist, en moeilijk wasbaar is.

Wol is zeer elastisch en kan 30 tot 40% worden uitgerekt zonder te breken. De treksterkte van de vezel is veel lager dan die van vele andere vezels (linnen, katoen of kunstvezels)

Diverse schapenrassen
Merino wordt gezien als het oorspronkelijke schapenras dat fijne scheerwol levert. Het ras is afkomstig uit Spanje en 200 jaar geleden naar Australië gebracht. De vezels van Merinowol zijn sterk gekroesd. Met deze wol worden soepele weefsels gebreid of geweven, bijvoorbeeld voor gebruik in sjaals.

Nieuw-Zeelandse schapenrassen zijn:
  • Border Leicester
  • Coopworth
  • Drysdale
  • Lincoln
  • Perendale
  • Nieuw-Zeelandse Romney

Andere schapenrassen die door kruising zijn ontstaan:
  • Cheviot
  • Clun Forest
  • Corridale
  • Fat tailed
  • Gotland Pelsschaap
  • Hampshire down
  • Romney
  • Scottish blackface
  • Shetland (waarschijnlijk door de Vikingen naar de Shetlandeilanden gebracht.
  • Southdown

De meeste schapenrassen leveren dikkere, maar daardoor ook stevigere vezels, dan het Merino schaap. Dikkere vezels zijn geschikter voor veelgedragen kleding.

Productie

De productie van wol vindt plaats in een groot aantal stappen. Hieronder wordt het houden en fokken van schapen daarbij nog buiten beschouwing gelaten.

Scheren:

Schapen worden elk jaar in het voorjaar geschoren. Een ervaren scheerder kan tot ongeveer 150 schapen per dag scheren. Tijdens het scheren blijft ongeveer 2 centimeter wol staan.

Na het scheren wordt de vacht opgerold en verpakt in balen, die elk 170 kilogram wegen. Het schaap wordt soms na het scheren door een ontsmettend bad gestuurd, waarbij parasieten gedood worden. Sommige dierenbeschermers zijn van mening dat de schapen veel stress ervaren door dit scheren, en door de plotselinge blootstelling aan de buitenlucht. Veganisten zien op dezelfde grond dan ook af van het gebruik van wol.

Reinigen:

De wol die van een schaap afkomt is vervuild met vet, zweet, gras en andere plantaardige resten. Rond de anus van het schaap zit ook ontlasting. Door de wol te wassen wordt het vuil verwijderd. Voor het spinnen is het echter nuttig als de wol nog enigszins vet is. Van nature bevat wol lanoline. Dit is een grondstof die in cosmetica wordt gebruikt. Vroeger werd lanoline ook gebruikt als lippenbalsem. Tegenwoordig kun je het ook nog kopen, maar de prijs ervan is hoog voor slechts kleine hoeveelheden.

Kaarden:

Voor het spinnen wordt de wol gekaard. Daarbij worden de vezels ontward. Het kaarden gebeurt met een kam met stalen punten. Machinaal gebeurt dit met een snel ronddraaiende cilinder voorzien van stalen punten of zelfs een naaldenbed. Vroeger werden hiervoor de vruchten van een plant, de kaardenbol gebruikt. Met het kaarden verdwijnen ook de laatste restanten vuil. Na het kaarden kan er eventueel direct gesponnen worden. Voor een fijner resultaat moet echter eerst nog gekamd worden Om een betere regelmatigheid in het uiteindelijke garen te krijgen, dienen ook diverse rek- en doubleerpassages toegepast te worden, waarbij de lont steeds regelmatiger en dunner wordt.

Spinnen (twisten):

Hoe fijner de wolvezel, des te dunner kan de draad gesponnen worden. Tijdens het spinnen wordt de wol in elkaar gedraaid. Hierdoor worden de vezels met elkaar verbonden en wordt de draad sterker. Het aantal draaiingen waarmee het garen gesponnen wordt noemt men de twistfactor. Door te spinnen ontstaat een enkele draad.

Noppen:

Het verwijderen van oneffenheden in de gesponnen draad in de vorm van knoopjes en losse uiteindjes noemt men 'noppen'.

Twijnen:

De enkele draad die na het spinnen is ontstaan wordt met één of meer andere draden in elkaar gedraaid, waardoor een dikker en/of steviger resultaat ontstaat. Dit in elkaar draaien van meerdere draden heet twijnen en gebeurt meestal in de tegengestelde draairichting van het spinnen om het volume en de sterkte te verbeteren. Hierdoor wordt voorkomen dat de draden overtwist worden en de extra sterkte door het twijnen weer verliezen.

Zetten of Fixeren:

Om te voorkomen dat de gesponnen garens weer losdraaien wordt de wol soms gezet. Dit is vooral nodig voor gebruik in tapijt, omdat daar korte draadjes wol voor worden gebruikt. Het zetten gebeurt chemisch, of met gebruik van stoom in een autoclaaf.

Verven:

Het verven kan in verschillende stadia van de productie van wol plaatsvinden, bijvoorbeeld voor het spinnen, in het garen en na het weven. Ook wordt een geweven wollen lap of een tapijt wel bedrukt met verschillende kleuren.

Donkere wol, van een zwart schaap, blijft vaak ongeverfd.

Vilt
Vilt is een oude techniek om wol te verwerken. Het vervilten van wol wordt ook wel vollen genoemd. Voor het maken van vilt kan wol van een mindere kwaliteit gebruikt worden. Na het kaarden wordt de wol kruiselings neergelegd. Daarna wordt de wol ingewreven met warm water en zeep. Door voortdurend te kneden wordt het water uit de wol geperst en ontstaat uiteindelijk vilt. De vilt moet tenslotte plat geperst worden. Vervilten van wol kan ook per abuis gebeuren, bijvoorbeeld bij te heet wassen.